Kom je een onbekende term tegen wanneer je obligaties vergelijkt? In deze begrippenlijst vind je de betekenis van belangrijke obligatietermen, van coupon en nominale waarde tot rendement en kredietrisico. De uitleg is bewust beknopt gehouden. Waar mogelijk verwijzen we naar artikels met meer achtergrond en voorbeelden.

50 begrippen

A

Achtergestelde obligatie
Een obligatie waarbij de houder bij een faillissement of vereffening pas wordt terugbetaald nadat bepaalde andere schuldeisers zijn voldaan. Dat kan het kredietrisico verhogen.
Aflossing
De terugbetaling van het geleende bedrag door de emittent. Bij een gewone obligatie gebeurt dat doorgaans op de vervaldag, maar de voorwaarden kunnen ook andere aflossingsmomenten voorzien.
Aankoopkoers
De koers waartegen een belegger een obligatie koopt. De koersnotering is niet noodzakelijk het volledige bedrag dat je betaalt: er kunnen bijvoorbeeld opgelopen interest en transactiekosten bijkomen.

B

Bedrijfsobligatie
Een obligatie die wordt uitgegeven door een onderneming om geld aan te trekken. Het risico hangt onder meer af van de financiële situatie en de voorwaarden van die onderneming.
Beurstaks (TOB)
De Belgische taks op bepaalde beursverrichtingen. Of de taks van toepassing is en hoe ze wordt berekend, hangt onder meer af van het financiële instrument, de transactie en de geldende regelgeving.
Bewaarkosten
Eventuele kosten die een financiële instelling aanrekent voor het bewaren van effecten. Of zulke kosten gelden, hangt af van de instelling en de rekeningvoorwaarden.
Biedprijs
De prijs waartegen een marktpartij bereid is een obligatie te kopen. De biedprijs kan verschillen van de prijs waartegen je de obligatie kunt aankopen.
Bid-askspread
Het verschil tussen de biedprijs en de laatprijs. Dat verschil kan iets zeggen over handelskosten en liquiditeit, maar is op zichzelf geen volledige maatstaf voor de liquiditeit van een obligatie.
Broker
Een financiële tussenpersoon die beleggers toegang geeft tot de financiële markten en hun koop- en verkooporders verwerkt. De diensten, instrumenten en kosten verschillen per broker.
Brutorendement
Het rendement vóór aftrek van belastingen en eventuele kosten, afhankelijk van de gebruikte berekeningsmethode. Kijk bij een concreet rendement altijd na welke kosten en belastingen wel of niet zijn inbegrepen.

C

Coupon
De contractuele interestbetaling die de emittent aan de obligatiehouder verschuldigd is. De frequentie en berekening hangen af van de voorwaarden van de obligatie. Lees meer over coupon en rendement.
Couponfrequentie
De frequentie waarmee de coupon wordt betaald, bijvoorbeeld jaarlijks, halfjaarlijks of per kwartaal. De exacte betalingsdata staan in de voorwaarden van de obligatie.
Couponrente
Het contractuele rentepercentage waarmee de coupon doorgaans wordt berekend op basis van de nominale waarde. De coupon is het rentebedrag; de couponrente is het percentage.
Coupure
Het nominale bedrag waarin een obligatie minimaal of in bepaalde veelvouden kan worden verhandeld of aangehouden. De coupure is niet noodzakelijk gelijk aan de marktprijs of aan het bedrag dat je uiteindelijk betaalt.

E

Effectenrekening
Een rekening waarop financiële instrumenten, zoals obligaties en aandelen, worden aangehouden. De voorwaarden en eventuele kosten verschillen per financiële instelling.
Emissie
De uitgifte van nieuwe obligaties door een overheid, onderneming of andere instelling. Beleggers kunnen bij een emissie onder bepaalde voorwaarden op de nieuwe obligaties intekenen.
Emittent
De overheid, onderneming of instelling die de obligatie uitgeeft en volgens de voorwaarden verantwoordelijk is voor de contractuele betalingen en terugbetaling.

H

Handelsvolume
De hoeveelheid obligaties die gedurende een bepaalde periode wordt verhandeld. Een laag handelsvolume kan samengaan met beperkte liquiditeit, maar moet altijd in de context van de specifieke obligatie worden bekeken.

I

ISIN-code
De internationale identificatiecode van een financieel instrument. Met deze code kun je een specifieke obligatie identificeren en verwarring met andere obligaties helpen voorkomen.

K

Kredietrisico
Het risico dat de emittent de contractuele interestbetalingen of terugbetaling niet volledig of niet op tijd uitvoert. Lees ook meer over de risico’s van obligaties .
Kredietrating
Een beoordeling van de kredietwaardigheid van een emittent of een specifieke schuldverplichting door een ratingbureau. Een rating is een inschatting en geen garantie op terugbetaling.

L

Laatprijs
De prijs waartegen een marktpartij bereid is een obligatie te verkopen. De laatprijs kan verschillen van de prijs waartegen je de obligatie kunt verkopen.
Limietorder
Een order waarbij de belegger een maximale aankoopprijs of minimale verkoopprijs opgeeft. Een limietorder geeft meer controle over de prijs, maar garandeert niet dat het order wordt uitgevoerd.
Liquiditeit
De mate waarin een obligatie kan worden gekocht of verkocht zonder dat de transactie de prijs sterk beïnvloedt. Bij weinig verhandelde obligaties kan het moeilijker zijn een geschikte tegenpartij of prijs te vinden.
Lopend rendement
De jaarlijkse coupon gedeeld door de huidige of gebruikte aankoopprijs, uitgedrukt als percentage. Deze maatstaf houdt op zichzelf geen rekening met de terugbetaling op de vervaldag of met de volledige looptijd.
Looptijd
De periode waarvoor een obligatie oorspronkelijk wordt uitgegeven. De resterende looptijd is de periode die nog rest tot de vervaldag. Die twee periodes zijn dus niet noodzakelijk even lang.

M

Marktkoers
De prijs waartegen een obligatie op de markt wordt verhandeld of aangeboden. De koers kan afwijken van de nominale waarde en veranderen door onder meer renteontwikkelingen, kredietrisico en vraag en aanbod. Lees ook waarom een obligatiekoers stijgt of daalt .
Marktorder
Een order om onmiddellijk tegen de best beschikbare marktprijs te kopen of verkopen, voor zover uitvoering mogelijk is. De uiteindelijke prijs kan afwijken van de laatst getoonde koers.
Minimumorder
Het minimale aantal of bedrag waarvoor een order kan worden geplaatst. De voorwaarden kunnen verschillen per obligatie, broker en handelsplatform.

N

Nominale waarde
Het bedrag waarop de obligatie is gebaseerd. De coupon wordt doorgaans op dit bedrag berekend en bij een gewone obligatie wordt dit bedrag normaal op de vervaldag terugbetaald, behoudens onder meer wanbetaling of bijzondere contractuele voorwaarden.
Nettorendement
Het rendement nadat de kosten en belastingen die in de berekening zijn opgenomen, zijn afgetrokken. De precieze uitkomst hangt af van de gebruikte methode en van de persoonlijke of fiscale situatie.

O

Obligatie
Een verhandelbaar schuldinstrument waarmee een emittent geld leent van beleggers. In ruil ontvangt de belegger volgens de voorwaarden doorgaans interest en wordt het verschuldigde bedrag op de afgesproken datum terugbetaald. Lees wat een obligatie is.
Opgelopen interest
De interest die sinds de vorige coupondatum is opgebouwd. Bij een aankoop tussen twee coupondatums betaalt de koper deze interest doorgaans aan de verkoper, volgens de toepasselijke marktconventies.

P

Primaire markt
De markt waarop nieuwe obligaties worden uitgegeven en beleggers op de uitgifte kunnen intekenen.

R

Renterisico
Het risico dat veranderingen in de marktrente de marktwaarde van een obligatie beïnvloeden. Bij een gewone vastrentende obligatie leidt een stijging van de marktrente doorgaans tot een daling van de koers, al spelen ook andere factoren een rol.
Rendement
De opbrengst van een belegging in verhouding tot het geïnvesteerde bedrag. Bij obligaties kunnen onder meer coupons, de aankoopprijs, de terugbetaling en de looptijd het rendement beïnvloeden.
Rendement tot de vervaldag
Het geannualiseerde rendement dat bij een bepaalde prijs wordt berekend op basis van de verwachte couponbetalingen en terugbetaling op de vervaldag. De berekening berust op aannames en is geen garantie op het werkelijk behaalde rendement. Lees hoe je rendement berekent .
Roerende voorheffing
Een Belgische belasting die onder bepaalde voorwaarden wordt ingehouden op roerende inkomsten, waaronder interesten. De concrete behandeling hangt af van de toepasselijke fiscale regels en de kenmerken van het instrument.

S

Secundaire markt
De markt waarop eerder uitgegeven obligaties tussen beleggers worden verhandeld.
Staatsobligatie
Een obligatie die wordt uitgegeven door een nationale overheid. Het feit dat een overheid de emittent is, zegt op zichzelf niet alles over het risico van de obligatie. Lees meer over staats- en bedrijfsobligaties .
Supranationale obligatie
Een obligatie die wordt uitgegeven door een internationale instelling die door meerdere landen is opgericht of wordt gedragen, zoals de Europese Investeringsbank.

T

Transactiekosten
De kosten die samenhangen met het kopen of verkopen van een obligatie, zoals het makelaarsloon van de broker en eventueel andere toepasselijke kosten.

U

Uitgifteprijs
De prijs waartegen een obligatie bij de oorspronkelijke uitgifte wordt aangeboden. Die kan lager dan, gelijk aan of hoger dan de nominale waarde zijn.

V

Vastrentende obligatie
Een obligatie waarvan de coupon volgens de voorwaarden gedurende de relevante periode vastligt. Dat betekent niet dat de marktkoers of het rendement bij tussentijdse verkoop vastligt.
Variabelrentende obligatie
Een obligatie waarvan de coupon volgens de voorwaarden periodiek wordt aangepast aan een referentierente of andere overeengekomen maatstaf.
Verkoopkoers
De koers waartegen een belegger een obligatie verkoopt. De werkelijk haalbare prijs kan afhangen van de beschikbare tegenpartijen en de marktomstandigheden.
Vervaldag
De datum waarop de obligatie volgens de voorwaarden afloopt en de resterende hoofdsom normaal wordt terugbetaald. De terugbetaling is niet gegarandeerd wanneer de emittent zijn verplichtingen niet nakomt.

W

Wisselkoersrisico
Het risico dat veranderingen in de wisselkoers het resultaat beïnvloeden wanneer een obligatie in een andere valuta luidt dan de valuta waarin de belegger zijn vermogen beoordeelt.
Wisselkosten
Kosten die kunnen ontstaan wanneer een transactie of betaling een omwisseling tussen valuta’s vereist.

Z

Zero-couponobligatie
Een obligatie zonder periodieke couponbetalingen. Het rendement kan onder meer ontstaan doordat de belegger minder betaalt dan het bedrag dat bij de vervaldag wordt terugbetaald.